Thé Tjong-Khing (92): ‘Ik had geen andere keus, het stond vast dat ik zou tekenen.’

Branco Suijkerbuijk 4 juni 2026, 15:00

Thé Tjong-Khing in zijn huis in Haarlem. 
Beeld Mauro Suijkerbuijk

In een gemoedelijk, karakteristiek straatje in Haarlem staan we voor de deur van een jaren 30-huis. Hier woont Nederlands meest gelauwerde illustrator, Thé Tjong-Khing. De deur wordt geopend door Mino Wortel (85), zijn vrouw en tevens kunstenares. Met een brede lach begroet ze ons, terwijl hij bovenaan de trap verschijnt, gehuld in een beige schildersjas vol verfvlekken. Behoedzaam loopt hij de steile trap af.

We nemen plaats in de woonkamer. Om ons heen hangen en staan allerlei kunstwerken: van collages en keramische beelden tot wandkleden, gemaakt door Mino Wortel. Thé Tjong-Khing (92 jaar) tekent nog steeds elke dag. In zijn lange carrière illustreerde hij meer dan zeshonderd boeken.

Ze zijn net terug van een reis naar Spanje.

‘Ik heb in Spanje ook getekend. Ik heb heel stom drie opdrachten aangenomen die op dezelfde dag af moeten zijn. Dus ik werk me suf. Het waren zulke leuke opdrachten dat ik ja heb gezegd, maar daarna pas ben gaan nadenken.’

Khing (zoals zijn roepnaam luidt, Thé is zijn familienaam en Tjong zijn generatienaam) werd geboren in Purworejo, Indonesië, op 4 augustus 1933. Tekenend bracht hij daar zijn jeugd door.

‘Ik heb weinig herinneringen aan vroeger, omdat ik volgens mij de hele dag getekend heb. Ik heb neven en nichten die veel hebben meegemaakt tijdens de Japanse bezetting, ik helemaal niks. Ik zat gewoon de hele dag te tekenen.’

 

Vanaf welke moment wist u dat tekenen uw beroep zou worden?

‘Het is nooit weggeweest, ik kon niks anders’, zegt hij. ‘Ik had geen andere keus, het stond vast dat ik zou tekenen. En hoe het zou gaan, dat zou ik dan wel zien.’

In die tijd was het volgens hem ook eenvoudiger om als illustrator aan de slag te gaan.

‘Het was voor mij toen makkelijker dan nu. Het aantal tekenaars was beperkt. De concurrentie is nu groot, omdat er zóveel illustratoren zijn. Ik had geen echte opleiding, en toch kon ik aan het werk. Nu zou dat een stuk moeilijker zijn.’

Hoe was de kinderboekenwereld in Indonesië?

‘Er was daar helemaal niks’, zegt hij. ‘Indonesië wilde onafhankelijk zijn. Er was geen geld, geen tijd en geen zin om boeken uit te geven, laat staan om er plaatjes bij te maken. Voor mij was daar gewoon geen werk, dus ik moest weg.’

Zijn vader ging akkoord, met één voorwaarde: hij moest iets kiezen waarmee hij geld kon verdienen. Dat werd reclametekenen. Zo vertrok hij op 23-jarige leeftijd naar Nederland om daar zijn carrière als tekenaar op te bouwen.

‘Die reis zelf was vreselijk. Ik zat een maand op de boot en was de hele tijd zeeziek. Ik was eigenlijk helemaal niet geschikt om naar een ander land te gaan. Ik was niet zo’n dapper iemand.’

Toch was teruggaan geen optie. In Indonesië zag hij geen toekomst voor zichzelf als tekenaar. ‘Ik was daar in de goot beland als ik was gebleven.’

Voelde u zich snel thuis in Nederland?

‘Ik voel me van mezelf niet zo snel thuis ergens, dus ik had best moeite om me hier prettig te voelen’, vertelt hij. ‘Dat ik de taal al sprak, maakte het iets eenvoudiger.’

Hij begon aan de opleiding reclametekenen aan de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam, maar maakte die niet af. Ook een lerarenopleiding bleek niets voor hem.

‘Ik had een studievisum in Nederland, dus toen ik stopte met studeren moest ik terug naar Indonesië, en dat wilde ik absoluut niet.’

Uiteindelijk besloot hij het roer om te gooien en solliciteerde hij bij Toonder Studio’s.

Hij kende de naam Toonder al van de Tom Poes-strips uit Indonesische kranten. Toen hij met zijn map tekeningen onder zijn arm aanklopte, verliep de start niet direct soepel: ervaring met striptekenen had hij niet, waardoor hij eerst werd geweigerd. Daarop bood hij aan zonder betaling te werken, alleen om te kunnen kijken en ervaring op te doen.

‘Wonder boven wonder gingen ze akkoord, en ik kreeg nog betaald ook’, vertelt Khing.

‘Toen ik strips ging tekenen, stelde ik me voor dat ik een filmscript maakte.’

Wat sprak u zo aan in het striptekenen?

‘Ik heb nooit strips gelezen’, zegt hij. ‘Ik vond het alleen leuk om ze te maken. Ik was een enorme filmgek, ik ging in Indonesië naar elke Hollywoodfilm die er te zien was. Ik zat vaker in de bioscoop dan thuis. Toen ik strips ging tekenen, stelde ik me voor dat ik een filmscript maakte. Dat vond ik erg leuk.’

Film speelde al vroeg een grote rol in zijn leven. Hollywoodfilms bepaalden zijn manier van kijken, zoals het acteren van filmsterren als John Wayne en Marlene Dietrich. Veel van deze acteurs zijn te herkennen in zijn werk.

Toch raakte hij uitgekeken op het striptekenen.

‘Ik heb het lang volgehouden, maar je moet steeds dezelfde gezichten tekenen, dat werd heel vervelend. Toen ben ik ermee gestopt.’

Een film als pure ontspanning kijken zit er niet in voor Khing, zijn ‘makersoog’ zal altijd meekijken.

‘Ik zit de hele tijd te denken waarom de regisseur bepaalde keuzes maakt’, zegt hij. ‘Ik kan vreselijk genieten van een goed shot. Je beleeft het intenser.’

Tegelijkertijd merkt hij dat de filmindustrie veranderd is. Films gaan sneller en je wordt in de eerste vijf minuten gebombardeerd met namen, soms haakt hij al vroeg af.

‘Na vijf minuten denk ik: wie is Monica? Wie is Jim? Ik kan het verhaal niet meer volgen.’

De vele kennis van film kwam hem begin jaren zeventig goed van pas in de populaire KRO-filmquiz Voor een briefkaart op de eerste rang. Hij was een opvallende deelnemer en veelvuldig winnaar en werd zelfs een tijdje een bekende televisiepersoonlijkheid. Uiteindelijk werd er door zijn overwinningen een maximum gesteld aan het aantal keren dat een kandidaat mocht terugkeren.

Zijn filmische manier van kijken naar beelden komt later van pas in zijn werk als illustrator.

Beeld Mauro Suijkerbuijk

Waren kinderboeken toen een logische vervolgstap?

‘Ik heb naast die strips ook voor jeugdbladen als Taptoe en Bobo gewerkt, ik had dus wel al voor kinderen getekend’, zegt hij. ‘Vooral de variatie sprak me aan. Ik hoefde niet meer jaar in jaar uit altijd hetzelfde te tekenen. Met strips ben je constant gebonden aan één stijl, terwijl ik het juist leuk vond om met verschillende stijlen te experimenteren.’

Hij kreeg uiteindelijk een telefoontje van Miep Diekmann, die hem vroeg haar kinderboeken te illustreren nadat ze zijn werk in de krant had gezien. Ze herkende in zijn tekeningen een heldere, realistische manier van kijken naar mensen, zonder overdrijving of zoetigheid.

Hij illustreerde haar boek Total Loss, weetjewel (1973), wat zijn overstap naar het kinderboek definitief markeerde. De samenwerking met Diekmann bleek het begin van een lange en succesvolle carrière in de kinderboekenwereld.

Met Wiele wiele stap ontving hij zijn eerste Gouden Penseel. Daarna volgden nog vele prijzen, waaronder nog twee Gouden Penselen, de Woutertje Pieterse Prijs en de Max Velthuijsprijs, waarmee hij uitgroeide tot een van de meest bekroonde illustratoren van Nederland.

‘Als ik werk aan een kinderboek, dan word ik weer dat kind van vroeger.’

Hoe vindt u het om voor kinderen te tekenen?

‘Ik teken niet bewust voor iemand. Het is heel grappig: als ik werk aan een kinderboek, dan word ik weer dat kind van vroeger. Ik teken wat ik vroeger zelf leuk vond. Ik doe dat niet expres, het gaat vanzelf.’

Hij krijgt weinig directe reacties van kinderen op zijn werk. Die nemen zijn tekeningen meestal gewoon zoals ze zijn.

‘Niet zozeer van de kinderen zelf, maar wel van de ouders. Kinderen vinden de tekeningen heel gewoon. Die weten helemaal niet wie ik ben en het interesseert ze ook niet.’

Ook zijn filmkennis speelt nog altijd mee in zijn manier van werken.

‘Ik doe het niet bewust, maar vast en zeker’, zegt hij. ‘Ik acteer zelf ook: ik speel de emoties en houdingen van personages zelf voor de spiegel, zodat ik het nauwkeurig kan natekenen.’

Volgt u de ontwikkelingen binnen het illustratievak?

‘Het vak verandert voortdurend. Tien jaar geleden was het al heel anders dan nu. Zoals het nu gaat, spreekt het me eigenlijk niet zo aan. Het gaat er soms meer om hoe goed of mooi het eruitziet dan om het vertellen van een verhaal, terwijl ik dat juist het allerbelangrijkste vind.’

Hij ziet ook hoe snel de productie is toegenomen. Er verschijnen zoveel boeken dat hij het nauwelijks nog kan volgen.

‘Een boekhandelaar vertelde me dat hij per seizoen vierduizend titels binnenkrijgt. Ik ben daar zelf ook schuldig aan’, lacht hij, zittend in zijn woonkamer op een houten stoel, met een punt vlaai voor zich.

In een digitale tijd blijft Khing juist trouw aan het handgemaakte beeld.

‘Bij een digitale tekening is alles zo netjes. Een zekere imperfectie is juist wel leuk, dat maakt het levendiger.’

Hij werkt nog altijd nauwkeurig. Een tekening is vaak pas klaar wanneer hij meerdere versies heeft gemaakt.

‘Ik kan er niet van slapen als ik een fout heb gemaakt,’ zegt hij. ‘Dan moet het of verbeterd worden, of ik maak het helemaal opnieuw.’

Zelfs terugkijkend op zijn eigen werk ziet hij verbeterpunten.

‘Als ik terugkijk heb ik altijd iets: die boom moet iets verder weg, of die kleur had minder fel gemoeten.’

Na meer dan zeshonderd boeken geïllustreerd te hebben, is er altijd wel de wens geweest om zelf verhalen te schrijven. Maar volgens hem ontbreekt iets essentieels.

‘Ik ben ook al honderd jaar bezig hoor,’ lacht Khing. ‘Ik zou dat heel graag willen, maar ik ben geen schrijver. Ik hoor van schrijvers dat wanneer ze ervoor gaan zitten, alle verhalen binnenstromen. Ik wou dat ik dat had.’

 ‘Ik heb iemand nodig die mij een verhaal stuurt, dan ben je volgens mij geen kunstenaar.’

Hoe belangrijk is Mino Wortel voor uw werk?

‘We hebben een heel verschillende manier van werken’, vertelt hij. ‘Ik ben geen kunstenaar, zij wel. Ik heb iemand nodig die mij een verhaal aanreikt. Dan ben je volgens mij geen kunstenaar.’

Haar rol in zijn werk is vooral die van scherpe kijker.

‘Meestal zegt ze meteen: “Oh, wat leuk.” Maar als ze een paar seconden stil is, dan denk ik: verdorie, ze vindt het niet goed. Dan vindt ze het bijvoorbeeld te donker. Het ligt meestal niet aan de kleur, maar aan iets anders. Dan begint een zoektocht, en dat is juist erg leuk.’

‘Willen jullie zien waar ik op dit moment aan werk?’ vraagt hij dan.

We lopen met hem mee de steile trap op, terwijl hij ons waarschuwt voor de rommel die we zullen aantreffen. Aan het einde van de gang stappen we zijn werkkamer binnen. Zijn tafel wordt verlicht door een schuin hangende uv-lamp. Op het werkblad liggen schetsen, potloden en penselen door elkaar.

Naast de tafel staat een uitpuilende archiefkast, gevuld met knipsels: foto’s van kastelen, jurken, scooters, alles wat ooit nog van pas kan komen.

Om ons heen staat en ligt van alles: kartonnen dozen, boeken, ongebruikte schilderijlijsten, gebruikte doeken vol verfvlekken en tekenmaterialen. Rechts van ons, achterin op een houten plank, zijn nog net de drie gouden penselen zichtbaar. Daarnaast staat een beeldje van Kikker, behorend bij de Max Velthuijs-prijs. Op de grond en op de tafel liggen recent gemaakte illustraties.

‘Hier ben ik mee bezig’, vertelt hij terwijl hij ons een aantal tekeningen aanreikt. ‘Het zijn fabels, dus ik ben me rot aan het zoeken naar plaatjes van dieren, want ik ken ze niet uit mijn hoofd. Dit is niet voor kinderen hoor, het is een beetje filosofisch.’

Hij laat een stapel uitgeknipte afbeeldingen zien.

‘Ik heb allemaal plaatjes bij elkaar gezocht van uilen en krekels en zo.’

Wat is uw dagelijkse routine?

‘Om zeven uur begin ik met tekenen. Om acht uur ga ik ontbijten en daarna ga ik weer tekenen. Soms ga ik in de middag naar de film, maar als ik weer thuis kom, ga ik opnieuw tekenen.’

Hij lacht.

‘Ik vind het geen slecht leven hoor.’

 Wat is na al die jaren uw belangrijkste drijfveer?

‘Ik vind het gewoon erg leuk. En ik blijf opdrachten krijgen, dus waarom niet. Het gaat erom dat je iets doet wat je leuk vindt, dat is héél belangrijk.’

We besluiten het interview met de vraag wat hij die dag nog gaat doen.

Hij hoeft er niet lang over na te denken.

‘Tekenen’, lacht Thé Tjong-Khing. ‘Ik moet nog drie boeken afmaken.’

Beeld Mauro Suijkerbuijk