Demarrage - Een kort verhaal.

Geschreven door Branco Suijkerbuijk

 

‘En een demarrage!’, roept Branco wanneer hij zijn broer Mauro op de fiets voorbijschiet over de kasseienstrook bij de Oude Kerk.
‘Die dènke dat ze in de Ronj van Frankriek rieje,’ mopperen twee ouderen tegen elkaar, terwijl ze een ruk geven aan de hondenriemen en hun bruinzwarte teckels geschrokken naar zich toe trekken.

Rook trekt uit de schoorstenen, de laatste regenwolken zijn nog maar net weggetrokken wanneer de tweeling alweer door de straten van Geleen raast op hun iets te kleine schoolfietsen. De een op een felrode, de ander op een blauwe, zo zijn de broers van elkaar te onderscheiden. In de hele buurt staan ze erom bekend dat ze wielerkoersen naspelen op de stoep. Wandelaars springen aan de kant om de jongens erlangs te laten. De een vindt het prachtig: ‘Laot ze toch lekker sjpele, baeter dan achter die sjirmkes.’ De ander ergert zich eraan: ‘Dao geit nog èns eine gans lelik valle.’ Maar het kan de jongens weinig schelen. Zij zitten tenslotte midden in de bloedstollende finale van een etappe in de Ronde van Frankrijk.

De eindspurt begint bij de brievenbus van juffrouw Bianca op huisnummer 12. Vanaf daar is het nog honderd meter tot de finish, langs drie opritten, de hond die bij elke voorbijganger agressief blaft en die verraderlijke paal waar een van de broers opvallend vaak tegenaan rijdt.

‘Nog vijftig meter, hij gaat het halen!’ roept Branco buiten adem. Hij gaat op de trappers staan en slingert zijn fiets van links naar rechts, zoals hij het op televisie heeft gezien.

Achter hem hijgt Mauro: ‘De streep is in zicht! Wie gaat ’m pakken?’, klinkt hij als een ware commentator.

Het publiek staat rijen dik langs de weg. Mensen trommelen op de boarding, schreeuwen hun namen en wapperen met vlaggen.
De eindstreep komt dichterbij.
Nog twintig meter.
Nog tien!

“Het is ongelofelijk, hij wint zijn eerste etappe!” Branco schreeuwt van blijdschap en gooit zijn armen in de lucht.

Dan klinkt er een harde klap.

Hij kijkt geschrokken achterom en knijpt in zijn remmen. De schreeuwende menigte langs de weg lost langzaam op. De vlaggen verdwijnen, de boarding ook. Alleen de straat blijft over.
En de paal.

Mauro ligt ernaast, de fiets half op de weg. Even is het stil. Dan krabbelt hij overeind, veegt het grind van zijn knieën en ziet dat het bloed begint te lopen.

‘Gaat het?’ vraagt Branco aan zijn broer.

Een voordeur verderop slaat krakend open. Een vrouw stapt naar buiten en schuifelt hun kant op. Haar jas is vies en haar haren hangen in vettige plukken langs haar gezicht.
Ze graait in haar zak en drukt een paar muntjes in de hand van de gevallen renner.

De jongens zeggen niets. Ze kijken elkaar even aan.
‘Veur de winnaar,’ zegt ze.
Daarna wijst ze de straat uit.
‘En noe opkratse.’

Mauro klimt weer op de fiets en duwt zichzelf vooruit.
De etappe moet worden uitgereden.

De vrouw kijkt hen na.
Het publiek langs de kant begint massaal te klappen.